Bond van Nederlandse Predikanten

beroepsorganisatie van en voor predikanten

De kerkelijk werker in discussie

De synode van de Protestantse Kerk heeft in april besloten dat kerkelijk werkers in het ambt van ouderling of diaken bevestigd kunnen worden en dat de ouderling-kerkelijk werker in bepaalde gevallen de bevoegdheid krijgt de sacramenten te bedienen.

 

Lange weg
Er is een hele lange weg gegaan voordat dit besluit genomen is. Oorspronkelijk werd gezegd dat kerkelijk werkers geen ambtsdrager mochten zijn, omdat zij in dienst zijn van de kerkenraad en dus geen deel kunnen uitmaken van de kerkenraad. Helder is dat uiteraard kerkelijk werkers niet zelf meebesluiten over hun rechtspositie. Maar dat is geen reden om hen buiten de kerkenraad te houden. In het verdere verleden, toen er nog geen landelijke regels waren, besliste de kerkenraad over het traktement van de predikant, uiteraard buiten aanwezigheid van de predikant.

Voluit wordt erkend dat de kerkelijk werker een eigen plaats heeft binnen de kerk. Telkens opnieuw werd dit door synoden benadrukt. En op zich kunnen zij in een bediening worden gesteld. Volgens de kerkorde liggen bedieningen heel dicht tegen het ambt aan. Maar in de praktijk overheerst dat zij dus niet in het ambt staan, en formeel geen stem hebben in het beleid. In veel gevallen zijn kerkenraden overigens wel zo verstandig om naar de adviezen van de kerkelijk werker te luisteren, maar formeel kan de kerkelijk werker overal buiten gehouden worden.
Door de mogelijkheid te openen dat de kerkelijk werker (afhankelijk van haar of zijn opdracht) in het ambt van ouderling of diaken bevestigd wordt, wordt deze voluit bij het beleid betrokken en wordt haar of zijn taak in de leiding van de gemeente voluit erkend.

Voor de duur van het werk
Het besluit roept nog wel een aantal praktische vragen op. In de synode werd beklemtoond dat de normale verkiezingsprocedure voor ambtsdragers moet worden gevolgd. Dit zal nader moeten worden bestudeerd. Het lijkt me dat anders dan bij een normale verkiezing de benoeming als kerkelijk werker (als aan de voorwaarden is voldaan) automatisch moet leiden tot de bevestiging als ouderling of diaken. In ieder geval is er al een precedent: in een gemeente met wijkgemeenten worden predikanten, ouderlingen en diakenen met een bepaalde opdracht voor heel de gemeente niet door de gemeente verkozen, maar door de algemene kerkenraad. Dit zou naar analogie voor kerkelijk werkers kunnen worden uitgebreid naar gemeenten zonder wijkgemeenten. Het is wel van belang dat de gemeente bij die benoeming betrokken wordt. Maar anders dan bij ouderlingen en diakenen die uit het midden van de gemeente verkozen worden zullen gemeenteleden in de regel moeten afgaan op de informatie door de kerkenraad.

De ambtstermijn van kerkelijk werkers zal in afwijking van wat nu geregeld is voor ouderlingen en diakenen gelijk gesteld moeten worden aan de duur van de benoeming. Op zich is daartegen geen bezwaar. De beperking in duur (bij drie termijnen kan iemand al 12 jaar ouderling of diaken zijn) is praktisch en niet principieel.

Voorganger
Bijzonder veel aandacht kreeg – vanzelfsprekend – het aanvullende besluit dat de ouderling – kerkelijk werker in bepaalde gevallen de bevoegdheid kan krijgen de ambtswerkzaamheden van een predikant te verrichten, waaronder het bedienen van de sacramenten.
Een kerkelijk werker die onder voorwaarden in een gemeente zonder predikant werkt en daar alle predikantswerk doet en voorgaat in erediensten mag op dit moment niet de sacramenten bedienen, geen geloofsbelijdenis afnemen, geen ambtsdragers bevestigen, geen trouwdiensten leiden en niet de zegen uitspreken (ord. 5-5-2). Deze situatie is onbevredigend. De kerk vraagt de kerkelijk werker als ware zij of hij predikant in een gemeente te werken maar op belangrijke momenten moet een predikant van buiten komen. Al lange tijd wordt naar een oplossing gezocht. Maar steeds weer werd beklemtoond dat vanwege de samenhang van Woord en Sacrament de bediening van sacramenten exclusief voorbehouden bleef aan de predikant. Al is het merkwaardig dat wel preekconsenten worden verleend. De commissie Ambt en Sacrament stelde in haar rapport aan de triosynode in 1995 dan ook voor om geen preekconsenten meer te geven, en eventueel kerkelijk werkers toe te laten tot het ambt van predikant (met beperkte opdracht).
Een vervolgcommissie stelt in haar rapport (besproken op de triosynode in 2000) voor om het mogelijk te maken dat een kerkelijk werker als ‘vicaris’ tijdelijk het ambt van predikant waarneemt. Uiteindelijk leidt ook dit niet tot besluitvorming.
(Een overzicht van de discussies tot 2002 is te vinden in een artikel van Leo Koffeman, Sacramentsbevoegdheid in de SoW-kerken).
Binnen de Protestantse Kerk blijft de kwestie op de agenda. Vorig jaar stelde de Beleidscommissie Predikanten aan de synode voor om kerkelijk werkers in nauw omschreven situaties als vicaris te stellen in het ambt van predikant. De synode wees dit af. De intentie om de kerkelijk werker in bedoelde situaties sacramentsbevoegdheid te geven niet werd afgewezen. Maar de synode vreesde dat hiermee een alternatieve weg tot het predikantschap werd geopend.
Die vrees werd met name ingegeven doordat gesteld werd dat een predikant – ook al is zij of hij  vicaris in bepaalde situaties beroepen – het recht heeft om levenslang en overal als predikant te fungeren.
De synode heeft nu besloten de kerkelijk werker in bedoelde situatie niet (als vicaris) te stellen in het ambt van predikant maar hem of haar als ouderling de sacramentsbevoegdheid te geven. Hiermee wordt de bevoegdheid beperkt tot de gemeente waarin betrokkene werkt.

Breuk met de oecumene?
Voorafgaand op het besluit is op LinkedIn een discussie gevoerd tussen voorstanders en tegenstanders van deze oplossing. Niemand verzette zich tegen het verlenen van de bevoegdheid, maar de tegenstanders van het besluit stelden dat de kerkelijk werker in dat geval als predikant bevestigd moet worden. Margriet Gosker en Hans Kronenburg vertolkten dit standpunt. De stelling van beiden is dat dit besluit een breuk is met de oecumene, ongereformeerd en onluthers. Hun stellingname is te vinden op www.kerkelijkgesprek.nl in de categorie Ambt en sacrament. U vindt daar ook de reactie van Arjen Plaisier en het weerwoord van Kronenburg.
 

Roeping centraal
Naar mijn oordeel is bij het ambt de roeping van Christuswege door de gemeente (kerk) tot een bepaalde taak en de daarbij behorende bevoegdheidsverlening essentieel. Niemand kan sacramenten bedienen zonder daartoe geroepen te zijn.
Degenen die in onze kerk geroepen zijn tot de bediening van het Woord en de sacramenten worden in het ambt van predikant gesteld. Maar die benaming is op zich niet principieel, de roeping wel.
Er is de mogelijkheid dat een ouderling onder strikte voorwaarden geroepen wordt het werk van een predikant te doen. Op dat moment wordt deze ouderling van Christuswege door de gemeente geroepen tot die taak in die omstandigheid en ontvangt deze de daarbij behorende bevoegdheid.

Hoewel ik een voorkeur had voor de predikant-vicaris (met beperkte bevoegdheid) vind ik de huidige oplossing (ouderling met extra bevoegdheid) alleszins aanvaardbaar.

Ordinatie
Achter de bezwaren van Kronenburg en Gosker (en anderen) ligt hun beklemtoning op de ordinatie van de predikant, onderscheiden van de bevestiging van andere ambtsdragers. De bevestiging (ordinatie) van de predikant is in deze opvatting kwalitatief verschillend van de bevestiging van de andere ambtsdragers. In een recent rapport van de Gemeinschaft Evangelischer Kirchen in Europa (GEKE) wordt daarom voorgesteld om onderscheid te maken in bewoording, en ordinatie (exclusief) voor de bevestiging in het ambt van predikant te gebruiken. Enerzijds wordt gesteld: “Ordinatie is een officiële daad van de kerk, die de roeping van een persoon tot een specifiek ambt (ministry) erkent en dit bevestigt met gebed in de verzamelde gemeente”. Naar mijn oordeel kan dit op dezelfde manier voor de bevestiging in het ambt van ouderlingen en diakenen worden gezegd. Maar het rapport stelt: “Voor het ambt van predikant is die ordinatie noodzakelijk. … Voor andere ambten is ordinatie niet nodig, maar wel een speciale vorm van opdrachtverlening (commissioning).” Dit voorstel komt terug in de Aanbevelingen: “We bevelen aan dat de kerken van GEKE hun leer en praktijk van ordinatie nader bezien met het oog op de vraag welk ambt zal worden geordineerd en welk ambt zal worden opgedragen, om zo de wederzijdse erkenning van de ambten te verzekeren en de verbintenis (commitment) met GEKE als geheel en met de wijdere oecumenische gemeenschap als geheel te versterken”.
In een dergelijke onderscheid tussen de ambten, niet alleen wat betreft de opdracht, maar ook in ‘kwaliteit’ past inderdaad niet dat een ouderling de opdracht kan krijgen de sacramenten te bedienen.

Het laatste woord hierover is nog lang niet gezegd.
 

Tobias Bos