Bond van Nederlandse Predikanten

beroepsorganisatie van en voor predikanten

Hand aan de ploeg

Het definitieve rapport van de stuurgroep Veerman is verschenen. De hand aan de ploeg is de titel die aan dit rapport is meegegeven. We kunnen constateren dat de stuurgroep goed geluisterd heeft naar de reacties van predikanten. Het bestuur reageert dan ook positief, zij het met kanttekeningen.

In het rapport wordt gesproken over hoofdlijnen die nader moeten worden uitgewerkt. In een aantal gevallen wordt ook gesproken over pilots waarin moet worden onderzocht of de uitwerking van de hoofdlijn oplevert wat men ervan verwacht. Het bestuur acht dat een goede insteek. Het spreken over hoofdlijnen betekent wel dat er nog veel onduidelijk is en pas later duidelijk zal worden. Met het oog daarop maakt het bestuur een aantal kanttekeningen bij het rapport. De eerste drie hoofdlijnen van beleid betreffen de solidariteit en samenwerking tussen gemeenten. Het bestuur stemt in met de gedachte dat deze samenwerking van onderaf moet groeien en niet moet worden opgelegd. De vierde hoofdlijn spreekt over ‘loopbaanontwikkeling’. Het bestuur is positief over het feit dat niet langer over soorten predikanten gesproken wordt. Dat er drie schalen komen waarbij er toetsingscriteria zijn om te bezien of predikanten kunnen doorstromen naar een volgende schaal stuit niet op bezwaren. Wel zal het heel belangrijk zijn, en zaak ook van het georganiseerd overleg, om hier een goede uitwerking aan te geven. Het behalen van een postmaster als één van de voorwaarden voor het doorstromen naar de hogere schaal is niet vantevoren af te wijzen. Wel maakt het bestuur de kanttekening dat het niet zo kan zijn dat de predikant financieel moet investeren in een postmaster om vervolgens uit te komen op het huidige traktement. Als de hogere schaal overeenkomt met de huidige schaal zal de kerk moeten investeren in het postmaster. In de nadere uitwerking zal de financiële component dan ook nadrukkelijk aandacht moeten krijgen. Over de invulling van de permanente educatie wordt nog niets gezegd. In ieder geval zal daarover veel meer duidelijkheid moeten zijn alvorens aan de orde kan worden gesteld of (een deel van) het studieverlof vervangen kan worden door andere vormen van permanente educatie. De vijfde hoofdlijn spreekt over de inzet van predikanten en kerkelijk werkers voor bovenplaatselijk werk. Het bestuur acht het positief dat het bovenplaatselijk werk als taak met nadruk wordt benoemd. Het zal (wellicht mee in het kader van de evaluatie van de kerkorde) daarbij van belang zijn om kritisch te kijken naar de hoeveelheid bovenplaatselijk werk. Te overwegen valt het bovenplaatselijk werk meer te kwantificeren om te bezien of het werk de draagkracht van predikanten en kerkelijk werkers niet te boven gaat. Te overwegen is ook om de verdeling van het werk nadrukkelijk onderwerp van gesprek te maken in de werkgemeenschap. De zesde hoofdlijn spreekt over de werkgemeenschappen. Positief is dat de werkgemeenschap (van predikanten en kerkelijk werkers!) aan haar kerkordelijke taak gehouden wordt. Het bestuur tekent hierbij aan dat de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de werkgemeenschap voor een regio aanvullend is op de eerste verantwoordelijkheid van predikanten en kerkelijk werkers voor de eigen gemeente. Het bestuur is positief over de rol van voorzitter – coach en over de óntwikkelgesprekken die deze met de collega’s moet voeren. De zevende hoofdlijn spreekt over de ‘pastor pastorum’. Het bestuur acht dit een goede ontwikkeling. Als de naam de lading dekt, kan deze pastor een goede rol spelen in de begeleiding van predikanten en kerkelijk werkers. Het bestuur maakt wel een kanttekening bij de rol van de pastor pastorum als vertrouwensfiguur voor kerkenraden. Het is belangrijk dat de pastor pastorum het vertrouwen heeft van kerkenraden en dat kerkenraden zaken bij haar of hem kunnen aankaarten. Maar het moet volstrekt helder zijn dat de pastor gesprekspartner is voor de predikant en kerkelijk werker en niet kerkenraden kan begeleiden. Alleen zo kan de pastor pastorum het vertrouwen krijgen van predikanten en kerkelijk werkers. De achtste en negende hoofdlijn spreekt over de positie van de kerkelijk werker. De Bond is positief over de keus kerkelijk werkers vaste adviseur te maken van de kerkelijke vergaderingen die hen aanstellen. Het bestuur is ook positief over de duidelijkheid rond de predikant-vicaris. Met name acht het bestuur positief dat een kerkelijk werker die op grond van het werk tot het ambt geroepen zal worden een aanvullende opleiding moet volgen, maar dat het niet mogelijk is om – los van het werk – een opleiding tot predikant-vicaris te volgen.